Het VT-CLA incident
Gewijzigd: 14 juni 2010
TERUG
Voordat ik de gang van zaken rond het (al dan niet) neerschieten van dit
Indiase vliegtuig behandel is het nuttig eerst uit de doeken te doen wat
nu eigenlijk van de Nederlandse vliegers werd verwacht in zo'n geval.
KONINKLIJK NEDERLANDSCH INDISCH LEGER
KONINKLIJKE LANDMACHT
HOOFDKWARTIER MILITAIRE LUCHTVAART.
-----------------------------------
Nr.: XII/1-35-U ZEER GEHEIM
Bijlagen: Geene
Onderwerp: Philippijnsche vliegtuigen.
BATAVIA, 1 April 1947
MEMO.
Naar aanleiding van een mij hedenmorgen door den
Heer KOREMAN van het Bureau Luchtvaart van V.& W. overge-
bracht verzoek, moge ik Uwe Excellentie inlichten omtrent de
mogelijkheden om een der overtredende Philippijnsche C-47's
tot landen te dwingen zonder dit vliegtuig te beschadigen.
1. Aangezien met vrij groote zekerheid bekend is datum
en tijdstip, waarop het zich thans te DJOCJA bevindende
Philippijnsche vliegtuig den terugweg naar Singapore zal
beginnen, zouden twee B-25's dienen te patrouilleren en te
verkennen Noord van het vliegveld Djocja ter weerszijden
van de "MERABOE", op of boven 5000 voet.
Het Philippijnsche vliegtuig zal Oost of West van de
Meraboe vliegen op een waarschijnlijke hoogte van 3 tot
5000 voet.
2. De B-25's moeten de C-47 schaduwen, het op zijn koers
volgen en via Air-Radio aan KEMAJORAN gegevens betreffende
hoogte, koers en snelheid doorgeven.
3. KEMAJORAN "plot" de C-47 en geeft, wanneer het toestel
150 mijl buiten Batavia is, bevel tot "scramble" van de op
TJILILITAN "stand-by" staande P-51's. Zoo noodig kunnen ook
P-40's van 120 Sqn. te SEMARANG worden ingeschakeld.
4. De P-51's sluiten de C-47 in en trachten radio-contact
met hem tot stand te brengen. Mislukt dit, dan kan een der
B-25's W/T contact met de C-47 krijgen op de frequentie van
SINGAPORE Air-Radio. Na contact wordt de C-47 opdracht
gegeven, te KEMAJORAN te Landen.
5. Wordt aan deze opdracht niet voldaan, dan kunnen de
P-51's trachten door intimidatie het toestel tot landen te
dwingen. Zij kunnen er dicht op gaan zitten, voor zijn neus
langs duiken, hem in remous zetten. Al deze middelen zijn
volkomen veilig.
6. Wenscht de vlieger van de C-47 niet te reageren, dan
zou slechts door vuur te openen, kunnen worden voorkomen
dat hij doorvliegt. Eenige vuurstoten met tracers voor
den neus langs zullen beslist voldoende zijn, de C-47 tot
landen te dwingen.
Hoewel de kans op treffers hierbij niet is uitgesloten,
is deze kans practisch te verwaarlozen.
7. De maatregelen, noodig om een en ander te kunnen uit-
voeren, zijn door mij heden op eigen gezag, reeds voorbereid.
Zij kunnen op een desbetreffend bevel terstond worden uit-
gevoerd.
Namens den Legercommandant
De chef der Militaire Luchtvaart
F.J. DE BROEKERT
KOLONEL G.S.-K.L.
Aan Zijne Excellentie
den Lt.Goeverneur-Generaal.
---------------------------
Tot zover de theorie, hoe een 'practisch te verwaarlozen kans' toch zomaar werkelijkheid kan worden staat hieronder!
Het VT-CLA incident
Op
dinsdag 29 juli 1947 kregen Elt. Vlieger-waarnemer B.J. Ruesink en
Sgt-majoor Vlieger-waarnemer W.E. Erkelens opdracht om te zoeken naar
het republikeinse vliegtuig dat 's ochtends een paar bommen op Semarang
had laten vallen.
Dat zoeken leverde 's ochtends niets op zodat de actie werd voortgezet
in de
eerste uren van de middag. Maar ook toen werd niets waargenomen.
Daarom kregen ze laat in de middag nogmaals dezelfde opdracht.
Op een persbijeenkomst op woensdag 30 juli op het kantoor van de
Legervoorlichtingsdienst zijn de beide jachtvliegers ondervraagd door
vertegenwoordigers van de buitenlandse pers te Batavia.
Hun verklaring
wordt hieronder samengevat. (1)
Tegen 18.00
uur vlogen ze in hun P-40's in de buurt van Magoewo bij Djocja en zagen
ze ver boven hen, op een hoogte van ca. 5000 voet, een vliegtuig dat
zich als een stipje tegen de lucht aftekende.
Ze vlogen op dat moment laag bij de grond, dus zetten ze een klim in om
de identiteit van het waargenomen toestel te kunnen onderzoeken.
Ze waren nog heel ver van het toestel verwijderd toen ze zagen dat het
toestel een duik inzette en die volhield tot vlak boven de boomtoppen.
De beide jachtvliegers volgden het andere toestel in z'n duik en daarna
in z'n vlucht vlak boven de grond, tussen boomtoppen en heuvels door.
De snelheid liep zo hoog op dat het voor de jagers nauwelijks mogelijk
was het toestel in te halen.
Beide vliegers verklaarden nadrukkelijk dat zij, als gevolg van de
snelheid van de andere machine en van de snelle ontwijkende manoeuvres
die het maakte tijdens de vlucht laag over de grond (slippen en
skidden) geen ogenblik op de gedachte waren gekomen met een
transporttoestel te doen te hebben.
Hun gedachten gingen uit naar een middelzware bommenwerper, en zij
achtten het niet uitgesloten met de machine van doen te hebben die 's
morgens boven Semarang was geweest.
Gevraagd wat naar hun mening de reden was van de snelle vlucht van de
andere machine, gaven zij als hun opinie te kennen dat deze vlucht
vermoedelijk het gevolg was van enkele woorden die zij over de telefoon
gewisseld hadden en welke door de bestuurder van het andere toestel
gehoord konden zijn.
Terwijl de achtervolging vlak boven de grond werd voortgezet, viel de
duisternis steeds sneller in en de vliegers beseften dat zij geen kans
zouden hebben om bij het andere toestel tijdig langszij te komen teneinde
het te kunnen identificeren.
Zij probeerden daarop de aandacht van de piloot van het andere toestel
te trekken door een niet-gericht waarschuwings-salvo met hun
mitrailleurs af te vuren, en hem zodoende te bewegen langzamer te
vliegen. Het andere toestel reageerde hierop niet en zette zijn vlucht
voort.
Kort daarop namen de jachtvliegers voor zich een hevige explosie waar
en zagen ze de staart van het andere toestel de lucht invliegen. Naar
hun mening was de andere machine hetzij tegen de grond, hetzij tegen
een obstakel gebotst en dientengevolge ontploft.
Desgevraagd verklaarde Lt. Ruesink dat het toestel zich tijdens de
achtervolging in westelijke, van het vliegveld Magoewo af, bewoog.
Tijdens het onderhoud met de pers werd herhaaldelijk gevraagd of het toegestaan was op toestellen in de lucht te schieten.
Lt. Ruesink zette uiteen dat alle Nederlandse vliegers opdracht hebben,
niet op vliegtuigen in de lucht te schieten, maar alleen vliegtuigen
waaromtrent zij geen informatie hebben te gelasten hen te volgen
en op een Nederlands vliegveld te landen.
Tijdens het incident op 29 juli hebben zij dan ook niet op het andere
toestel geschoten, doch slechts getracht de aandacht van de piloot te
trekken door waarschuwingsschoten, welke niet op het andere toestel
gericht waren.
De jachtvliegers zagen hun munitie inslaan in de boomtoppen en zijn er
zeker van dat zij het andere toestel nooit geraakt kunnen hebben. De
baan van hun vuur was te volgen door de aanwezigheid van
lichtspoormunitie in hun patroonbanden.
Voorts verklaarden de jachtvliegers dat zij de contouren van het andere
vliegtuig niet konden waarnemen doordat zij steeds (ook tijdens de
duikvlucht) recht achter de staart van het toestel zaten en er niet van
boven op neer konden zien.
Lt. Ruesink heeft alleen kunnen vaststellen dat het donker van kleur was.
Kentekens merkte hij niet op.
Overigens was nauwkeurige waarneming zeer moeilijk. Ten eerste door de
toenemende duisternis en ten tweede door het feit dat de afstand
tussen de achtervolgende vliegtuigen en het andere toestel niet kleiner
dan ca. 600 meter is geweest.
Desgevraagd verklaarde Lt. Ruesink nog dat de explosie waarin het
andere vliegtuig ten onder ging zó hevig was dat hij zich niet
kon voorstellen dat deze slechts veroorzaakt werd door het ontploffen
dan de benzinetanks.
Hij zei verscheidene ongelukken met Dakota's te hebben zien gebeuren,
maar nooit gingen die gepaard met explosies van een dergelijke
hevigheid.
Bovenstaand relaas is voornamelijk
ontleend aan een verslag dat direct na de genoemde persbijeenkomst en
mede op basis van het uitgebrachte communiqué is
gemaakt.
Wat betreft de gang van zaken bij het incident zullen we het
met deze verklaring moeten doen.
Of het verslag een getrouwe weergave van de waarheid is, zullen we nooit zeker weten.
Zeker is echter dat Nederland altijd
heeft vastgehouden aan de verklaring van de P-40 vliegers, terwijl de
rest van de wereld, met India, Engeland, Australië en de republiek
voorop, er vanuit gingen dat het toestel uit de lucht geschoten was.
Kortom, het werd een internationaal
incident dat tenslotte (in 1950!) afgesloten werd met een
financiële genoegdoening voor de nabestaanden van de slachtoffers
en het overhandigen van een vervangende Dakota, de PH-TAZ.
Hieronder laat ik allerlei teksten
volgen die inzicht geven in de verwikkelingen, de pressie die vanuit
genoemde landen werd uitgeoefend en de stappen die leidden tot de
uiteindelijke oplossing.
De inzittenden en de lading.(2)(3)
Er waren negen personen aan boord. Acht daarvan kwamen om het leven.
Alexander Noel CONSTANTINE
Een ex-wingcommander die door scheepsagent A.C. Hire belast was met de verkoop van Australische vliegtuigen.
Hij was de gezagvoerder.
Mevr. CONSTANTINE
De echtgenote van de gezagvoerder.
Roy HAZLEHURST
Was de co-piloot.
Bhida RAM
Boordwerktuigkundige
Augustinus ADISUTJIPTO
Commodore
Dr. Abdulrachman SALEH
Had ook de rang van Commodore.
Werkzaam bij het Indonesische Rode Kruis (Palang Merah Indonesia = PMI)
te Batavia. Promotor van de amateur - radiovereniging te Djocja en
verbonden aan de radiodienst der Indonesische Luchtvaart en Omroep. Was
in het bezit van een vliegbrevet en wordt eveneens aangeduid als copiloot. In dit verband zij aangetekend, dat
bij de overname tijdens de recente actie door de militairen van het
PMI-gebouw, Rijswijkstraat alhier, daarin o.m. werden aangetroffen: een
bedrijfsklare radiozender,
twee radiozenders, waaraan onderdelen
ontbraken en enige kisten radio-onderdelen, alles verborgen tussen
voorraden medicijen.
Adisumarno WIRJOKOESOEMO
Radiotelegrafist van het
verongelukte vliegtuig en vriend van air-commodore Halim Perdana
Koesoemo.
Zainal ARIFIN en Abdul Gani HANDONOTJOKRO
Arifin, Minangkabauer, zoon van een Djaksa.
Handonotjokro, Javaan, leider van de "Barisan Tani Indonesia" (B.T.I.)
en vertegenwoordiger van de "Perekonomian Ra'jat Indonesia".
Zij arriveerden omstreeks juni 1947 te Singapore, waar zij suiker
importeerden. Van de opbrengst richtten zij in opdracht van de B.T.I.
een handelmaatschappij op, de "Djasuma Trading Co.", met het doel
handel op Indonesië te drijven. Daarnaast schenen zij ook
geïnteresseerd te zijn in de aankoop van wapens.
Zeven inzittenden werden op slag gedood, mevrouw Constantine werd ernstig
gewond en overleed vlak daarna, alleen Handonotjokro overleefde de ramp.
Door de Katong Dispensary, Joo Chiat Road 26, Singapore werden vijf
kisten, ieder 112lbs. wegend, ingepakt; 4 kisten bevatten cotton en
bandages en 1 kist bevatte Pot. Permanganate. Volgens de klerk, die
deze kisten heeft ingepakt was dit de werkelijke inhoud.
Een ander gedeelte van de lading is verpakt in 21 kisten in de apotheek
van Dr. Hassad Aljuned, de voorzitter van het Indonesische Rode Kruis.
De inhoud daarvan bestond uit:
Geschonken door Utusab Melayu Press Ltd, Singapore
10 lbs cotton wool
1 gross bandages
20 yds gauze
500 tbs Pad Flavin
1000 sulphatinsol
15 x 500 idem
1cwt cotton wool
500 Flavine tablets
100 x 6 yds gauze
8 gross bandages
Geschonken door de Amerikanen Lyman en Thero c/o Majestic Hotel, Singapore
5 cwt cotton wool
10 500 tbs M&B sulphanamide
15 bandages 2 x 6 yards
1 cwt pot permanganate
Geschonken door Palang Merah Indonesia (PMI=Indonesian Red Cross Committee))
200 lbs cotton wool
30 lbs lint plain
30 lbs boric
12 doz gauze
20 gross bandages z x 5 yards
20 gross bandages z x 6 yards
Geschonken door Indonesian Air Committee
500 m x b 760
13 lbs sulphanamid powder
30 vials pennicilin
captalline cc 100,00
50 grams acri flavin
10 lbs anaesthetic ether
4 x 47 Jelomet burn dressings
10 dez. pt. ait dressings
2 doz. ganoid plaster 1 x 5 yards
3 doz. ,, ,, 3 x 5 yards
3 doz. ,, ,, 2 x 5 yards
Ook in deze apotheek zouden volgens ontvangen inlichtingen alleen maar
medicijnen zijn ingepakt. Totaal waren er dus 26 kisten met medicijnen
ingepakt.
Hoewel er tot op dat moment (20.9.1947) geen aanwijzingen waren dat er
munitie en/of wapens waren ingeladen kon evenmin met zekerheid beweerd
worden dat dat niet het geval geweest was.
Het laden van het vliegtuig op Kallang Airport was slecht geregeld,
allerlei lieden bemoeiden zich ermee en niemand weet precies wat er
feitelijk is meegegeven.
Officieel toezicht van de zijde de Britse luchthavenautoriteiten
ontbrak en het is zeker niet uitgesloten, dat met of zonder medeweten
van de bemanning een kistje met ammunitie zou zijn ingeladen.
Daar komt bij dat bovenstaand opgave van een m.i. misleidende nauwkeurigheid blijk geeft!
Over de lading schrijven dr. Sarose
Wirodihardje en Soenharje op 29 juli aan de Minister
van Defensie te
Djokjakarta: (voor mij vertaald door Marco Pennings!)
Onderwerp: zending van 14 truck banden.
Met het vliegtuig dat op 29 juli 1947
is vertrokken hebben wij 14 truck banden (binnen en buiten) verzonden
aan de geadresseerde P.T. mr. Amir Sjarifoeddin Minister van Defensie.
Omdat de ruimte in het vliegtuig werd
gebruikt voor Red Cross zaken kon de zending van banden en andere
auto-onderdelen in aantal 100 stuks (binnen en buiten) niet doorgaan.
Ik hoop dat de Geachte Heer begrip heeft.
En op 2 september schrijft de
Consulaats Secretary For Economic Affairs aan de Britse Autoriteiten te
Singapore de volgende verklaring:
Sir,
I am directed to refer to the
telephone conversation Haverkorn/van de Gaast when it was confirmed that
the Captain of the plane "Indian Patnaik", which left Singapore for
Jokjakarta on 28 July, did not comply with the Import and Export
Regulations in as much that no export permit was obtained for the cargo
taken out.
2. The only export permit granted was
for 20 tyres and 20 tubes, which were however off-loaded before the
plane left. This has been confirmed by personnel of the Kalang
Aerodrome.
3. It has been stated that the plane was loaded with 20 cases medical supplies.
I am sir, your obedient servant, w.g. T. van der Gaast.
Kortom, het enige wat echt vaststaat is de aanwezigheid van Rode Kruis materiaal en banden.
Het vliegtuig (4)(5)
Het toestel was een Douglas C-47B met constructienummer 15471/26916 die
met serial 43-49655 op 19 december 1944 in dienst kwam bij ATC
India-China van de USAAF.
Het toestel werd na de oorlog door de Indiase regering overgenomen op
10 april 1946 en kreeg toen de civiele kenmerken VT-CLA. Op 22 april
1947 kwam het toestel, nog steeds als VT-CLA in dienst bij de
deelstaatregering van Orissa.
In hoeverre hierna nog een eigenaarswisseling plaatsvond is
onduidelijk.
Hierna werd het toestel uitsluitend gebruik door de
bekende Indiase zakenman Bijayananda (Biju) Patnaik die zijn
inspanningen voor de Indiaase Vrijheidsbeweging moest bekopen met een
verblijf van drie jaar in de gevangenis.
In 1945 kwam hij vrij waarna hij actief werd voor de Indonesische vrijheidsstrijd.
Op 12 juni vloog Patnaik voor het eerst met z'n eigen toestel van
Singapore naar Djocja. Medereizenden waren A.C. Hire, scheepsagent,
Machsoer, werkzaam bij Ishak Mahdi, nu wijlen Halim Perdana Koesoemo,
rep.Vice-air-commodore en A.P. Lim van de Banking & Trading
Corporation.
Op 29 juni vloog hij met z'n vliegtuig uit Djocja terug naar Singapore.
Aan boord waren ook Soeripno, Soedarsono, Dr. Saraso, wijlen Halim
Perdana Koesoemo, Machsoes, A.C. Hire en A.P. Lim. Na een kort
oponthoud te Singapore vloog het vliegtuig diezelfde dag door naar
Boekit-Tinggi. Van Boekit-Tingi vloog het vliegtuig met o.a. Patnaik en
Mohammed Hatta aan boord, zonder Singapore aan te doen, naar India.
Van
India vlogen Patnaik en Hatta terug naar Sumatra waar laatstgenoemde
achterbleef.
Patnaik vloog daarna, wederom zonder Singapore aan te
doen, naar Djokja.
In de nacht van 21 op 22 juli bracht het vliegtuig Patnaik en Sjahrir
en diens twee pleegkinderen van Djokja naar Singapore en op deze
laatste datum maakte het vliegtuig nogmaals een vlucht naar
republikeins gebied en terug. Hierna bleef het tot 29 juli te Singapore.
Op 29 juli vloog het vliegtuig als zgn. 'merciplane' van Singapore naar
Djokja met aan boord die hierboven bij "Inzittenden en lading"
genoemde personen.
Behalve de daarbij gespecificeerde lading geeft bron (6) ook nog 14
stuks vrachtauto binnen- en buitenbanden welke geadresseerd waren aan de
Minister van Defensie te Djokjakarta. Afzenders hiervan waren Soenharjo
en dr. Saroso Wirodihardjo.
(Coll. Coen van den Heuvel)

Politieke verwikkelingen
Het buitenland zag met afschuw het Nederlandse optreden in Nederlands-Indië aan.
De regeringen van Australië, India en Groot-Brittannië
stuurden resp. op 1 augustus,
1 augustus en 28 augustus protestnota's
naar de Nederlandse regering.
De regeringen van Australië en Groot-Brittannië beperkten zich in
hun protest tot het in het algemeen hun rechten op compensatie voor te
behouden, die van India ging veel verder.
De regering van India eiste ook:
1. Maatregelen tegen de verantwoordelijke piloten die het vliegtuig neergeschoten hadden.
2. De verzekering dat zuiver civiele vliegtuigen in het vervolg ongemoeid zouden worden gelaten.
3. Namens de eigenaar van het vliegtuig een schadevergoeding van 10 milioen rupee's.
Het Nederlandse antwoord was in alle drie de gevallen min of meer
gelijkluidend. Onafhankelijk wie het verstuurd had, Minister Teppema
van Buitenlandse Zaken zelf, het Departement van Rijkswaterstaat of de
Nederlandse Ambassade in New Delhi.
Omdat de Indiase regering toch de meest betrokkene was van deze drie
laat ik hieronder
een paar transcripties van de betreffende
briefwisseling volgen.
Brief d.d. 23.10.1947 van de
Nederlandse Ambassadeur te New Delhi aan de Minister for External
Affairs and Commonwealth Relations te New Delhi.
The Netherlands Ambassador
presents his compliments to his Excellency the Minister for External
Affairs and Commonwealth Relations and has the honour to refer to His
Excellency's note of August 1st last, No. D.5767-FEA/47, by which the
Government of India lodged a protest against shooting down of an
aircraft over Java and informed the Ambassador of a claim for damages
filed by the owner.
The Ambassador has been
directed to express his Government's regret in connection with the
accidental death of the Indian subject, Mr. B. Ram, Flight Engineer of
the Dakota VT-CLA.
An extensive investigation
into the circumstances of the accident has been conducted and has led
to the following conclusions:
1. The owner and the crew, although
fully aware of the existing regulations, did not apply for the required
permit to fly over and land in Netherlands Indies territory.
The
aircraft moreover, did not report to the designated Customs Airport
Authority at Batavia, nor maintained the prescribed radio controls
which are required for safety purposes in the Flight Safety Aerea
concerned.
2. The Netherlands authorities could not by any means be aware that this aircraft was carrying medical supplies exclusively.
3. Clearance by the British customs
authorities at Singapore was irrelevant with regard to the Netherlands
Indies Customs Area, where local regulations are in force.
4. The pilot of the Netherlands
aircraft was in search of a republican plane, which by dropping bombs
on the town of Semarang, had committed acts of violence on the same day
the regretted event occurred. Under the prevailing circumstances, the
Dakota VT-CLA could not be identified. At dusk the pilot noticed and
aircraft, showing a close resemblance to the general description of the
above mentioned republican plane, flying very low, and apparently
trying to evade identification.
The Netherlands Ambassador has
been directed to inform the Government of India that, in view of the
above, Her Majesty's Government cannot accept responsibility for the
accident.
Het zal duidelijk zijn dat een dergelijke reactie voor de geadresseerde(n) volstrekt onacceptabel was.
Temeer daar wel duidelijk was dat de Nederlandse positie uiterst
zwak was en de sympathie van de rest van de wereld meer gericht was op
de republiek dan op Nederland.
Nederland bleef de operaties in Nederlands Indië weliswaar
hardnekkig 'politionele acties' noemen, in de ogen van de wereld was
het een ordinaire koloniale oorlog.
De reactie van Minister
for External Affairs and Commonwealth Relations op 27.2.1948 was dan
ook fors, er werd gesuggereerd dat de zaak dan maar beoordeeld moest
worden door een arbitrair Hof of tribunaal en bovendien werd de
oorspronkelijk eis tot schadevergoeding herhaald.
Vooral het voorstel van een Hof was bedreigend gezien de stemming
in de wereld!
Dan zou mogelijk ook de rechtsgeldigheid van de
'politionele acties' in het geding kunnen komen en daar zat Nederland
bepaald niet op te wachten. Bij een tribunaal bestond dat risico in
veel mindere mate.
Brief d.d. 27.2.1948 van Minister for External Affairs and Commonwealth Relations aan de Nederlandse Ambassadeur the New Delhi Boetzelaer.
The Minister of External Affairs and Commonwealth Relations presents
his compliments to His Excellency the Ambassador of the Netherlands and
has the honour to invite a reference to His Excellency's not No.
X-Cb2-5421, dated 23rd October, 1947.
2. The Government of India regret
that the Government of the Netherlands do not accept responsibility
for the shooting down by Dutch fighter aircraft of a civil aircraft
registered in India. The Government of India are informed that the
airport authorities at Batavia were notified by those at Singapore that
the Dakota VT-CLA was proceeding to Jogjakarta, and they are unable to
accept the contention that the identity of the aircraft and the nature
of its mission were not known.
3. The aircraft was engaged in a
non-scheduled flight which it was entitled to perform under Article 5
of the International Civil Aviation Convention. The local regulations
to which reference is made in his Excellency the Ambassador's note have
not been notified to the Government of India. Such regulations cannot
include a provision for the requirement of a permit to fly over and
land in Netherlands Indies territory in view of Article 5 of the
Convention. In any case, an alleged breach of any regulation could not
justify the shooting down of the aircraft. Nor do the facts stated in
item 1. of the third paragraph of His Excellency's note constitute a
reasonable excuse for this action. In this connection it is pointed out
that the aircraft was shot down while it was actually landing at
Jogjakarta, a place over 250 miles from Batavia and over 150 miles from
Surabaya.
4. The Government of India regret
that they cannot accept the suggestion that this aircraft, of whose
departure from Singapore the airport authorities at Batavia had been
notified, could have been mistaken for a bomber engaged on a military
mission. That the attack on the aircraft was deliberate is proved by
the fact, which is confirmed by the testimony of independent witnesses,
that bullet marks were found on the wreckage and bullet wounds on the
bodies of the victims.
5. The Government of India cannot
agree that the shooting down of an unarmed civil aircraft is
justifiable, and they wish therefore to reiterate strongly the protest
and the claim for compensation already lodged. They trust that the
Government of the Netherlands will accept this claim or will in the
alternative agree that the case be referred to an ad hoc arbitral
tribunal.
6. Failing a satisfactory reply to
this communication the Government of India reserve themselves the right
to take such further action as may be necessary to vindicate the view
stated above.
Inmiddels was de Nederlandse Ambassadeur Boetzelaer tot het besef
gekomen dat het niet in het belang van Nederland was om iedere
verantwoordelijkheid in deze zaak botweg te ontkennen.
In de wandelgangen was hem al medegedeeld dat de zaak waarschijnlijk
wéér in het Britse parlement aan de orde zou komen en dat
er ook van die zijde (weer) op schadeloosstelling van de nabestaanden
zou worden aangedrongen.(7)
Ook van Britse zijde was hem te verstaan gegeven dat bij eventuele
afwijzing van een schadevergoeding ook de Britse Regering zich
genoodzaakt zou zien de zaak aan arbitrage te onderwerpen.
De Britse regering stelde zich op het standpunt dat er voor de
Nederlandse piloot geen aanleiding tot schieten bestond, temeer daar er
in technische zin geen oorlog op Java werd gevoerd. De Britse regering
zou de aangelegenheid het liefst tot een oplossing brengen door zonder
ruchtbaarheid de betreffende Britse onderdanen een schadeloosstelling
te verlenen.
Bovendien, zo zei hij, verwachtte hij dat de Australische regering precies hetzelfde standpunt zou innemen.
Waarna hij het volgende voorstel doet:
In verband met het bovenstaande
is wederom de vraag gerezen of het niet verkieselijk ware door
aanbieding van een ander vliegtuig en schadeloosstelling voor de
omgekomen levens ingevolge de bepalingen van het Warschau-verdrag, de
aangelegenheid met de Regering van India, Engeland en Australië
onderhands te regelen met terzijdestelling van de rechtsquaestie.
Deze redelijke opstelling van Baron van Boetzelaer zorgde natuurlijk
wel voor enige opschudding. Er gaan weer allerlei argumenten heen en
weer, over vliegers die het toestel niet geraakt hebben,
over slachtoffer met kogelwonden, over het niet kunnen
verifiëren daarvan, over eventuele knoeierij met het wrak, over
het niet onder de definitie van "luchtvaartterrein" vallen van
Djocjakarta, kortom iedereen herhaalde nog eens de vroeger ingenomen
standpunten. Daar kwam bij dat men het aanbieden van schadeloosstelling
en het zelfs aanbieden van een vervangend vliegtuig niet los kon zien
van een vorm van schuld toegeven. Een vorm van zwakte, zo u wilt.(8)
Dat dit geen activiteiten waren die een oplossing dichterbij zouden kunnen brengen is natuurlijk duidelijk.
Vermoedelijk ten behoeve de besluitvorming om uit de ontstane
patstelling te geraken werd omstreeks half maart een memorandum
samengesteld op basis van alle op dat moment aanwezige documenten die
bij de betrokken partijen aanwezig waren. In feite was dat dus een
soort geschiedschrijving 'tot dan toe'.(9)
Aangezien dit memorandum van Directie Verre Oosten (DIRVO) in feite een
samenvatting is van het gebeurde tot dan toe, en er ingegaan wordt op
diverse documenten die hiervoor geheel of gedeeltelijk zijn
geciteerd is het onvermijdelijk dat er herhalingen plaatsvinden.
Het lijkt me echter van belang om de samenhang van dit memorandum in stand te houden en daarom citeer ik het hier integraal.
Inclusief genoemde herhalingen dus.
PRIMO
De vlucht had een volkomen particulier karakter en vond niet plaats
onder auspiciën van een erkende Rode Kruis organisatie. Volgens
verklaringen van de betrokken Nederlands-Indische piloten droeg het
vliegtuig geen Rode Kruis kenteken. Het Indonesische Rode Kruis te
Singapore is een "onderonsje" van Dr. Hassan Al Djuned (Arabier), Dr.
Samad (Malayan) en Dr. Gaus en is, voor zover dezerzijds bekend, niet
erkend door het Internationale Rode Kruis, zelfs niet door het
Indonesische Rode Kruis te Djocja. De medicijnen, welke met de
neergestorte Dakota werden vervoerd, waren niet
afkomstig van het Internationale Rode Kruis, doch ofwel van het
hiervoor genoemde plaatselijke Indonesische Rode Kruis, of (volgens een
ongecontroleerd gerucht) van twee anonieme Amerikanen.
Voorts blijkt uit een brief uit Singapore van Dr. Saroso aan de
Minister van Defensie te Djocja, Sjarifoeddin, d.d. 29 juli 1947, dat
met het vliegtuig van Patnaik 14 stuks binnen- en buitenbanden voor
trucks zouden zijn meegestuurd. Het is opmerkelijk, dat deze zending
was geadresseerd aan Amir Sjarifoeddin als Minister van Defensie. In de
brief wordt opgemerkt, dat een andere partij van 100 binnen- en
buitenbanden benevens auto-onderdelen niet met het vliegtuig konden
worden vervoerd, daar Rode Kruis goederen mee moesten. Het Rode Kruis
karakter van de lading van het vliegtuig is dus op zijn minst genomen
twijfelachtig; zij bestond niet uitsluitend uit Rode Kruis goederen.
Wat betreft de aard der medicijnen, die door het vliegtuig zijn
meegevoerd, wordt verwezen naar de brief d.d. 20 september j.l. No.
645/GE van de Secretaris voor Speciale Diensten verbonden aan het
Consulaat Generaal der Nederlanden te Singapore.
Na het ongeluk verklaarde de Singapore-vertegenwoordiger van het Internationale Rode Kruis, de Heer M.H. Schweizer:
"An approach had been made to me to
sponsor the trip but I was unable to do this since I had not yet
received authorisation from Geneva. The trip was a private flight and
was not sponsored by the Red Cross or the Malayan Governments"
In dit verband diene, dat de vlucht gemaakt werd op 29 juli
1947, terwijl de Heer Schweizer eerst op 30 juli van Genève
vergunning gekregen heeft om medicijnen naar de Republiek te zenden
(krantenbericht).
SECUNDO
Het ongeluk had volgens de rapporten van de militaire luchtvaart plaats
tussen 18.00 en 18.05, dus in de schemering. Tegenover de summiere
bewering der India-regering, dat "the airport authorities at Batavia were notified by those at Singapore that the Dakota VT-CLA was proceeding to Djocja" kan de volgende juiste gang van zaken worden gesteld.
De uitklaring te Singapore vond plaats onder herhaaldelijke
waarschuwing aan de piloot Constantine, dat hij zich radiografisch
moest melden bij het binnenvliegen van de "Batavia Flight Safety Area"
en periodiek aan Batavia zijn positie moest opgeven volgens de
ICAO-regeling. Bovendien werd door Singapore ATC medegedeeld, dat
Batavia door de Nederlands-Indische regering was aangewezen als Customs
Airport volgens de voorschriften van ICAO, waarop de piloot antwoordde,
alleen met de republikeinen te maken te hebben en dat Djocja eveneens
een internationaal aangewezen Customs Airport zou zijn, hetgeen onjuist
is. Batavia ATC ontving slechts de routine vertrekmelding van Singapore
doch geen radiografisch bericht van het vliegtuig zoals voorgeschreven.
Het routine telegram van ATC Singapore aan ATC Batavia bij vertrek van de Dakota luidde:
"A F ACHH airmove department private
Dakota V T CLA Hazlehurst Kalang 290526 Z 5000 direct 88856440 11394
Djocjakarta 291126 Z Batavia 9 hours".
Verzendtijd telegram Singapore 29 Juli 1300 uur, ontvangst bevestigd
door Batavia 1334 uur. Tussen de ontvangstbevestiging en het ongeluk
verliepen dus vier en een half uur, hetgeen niet voldoende geacht kan
worden, om -gezien de bijzondere omstandigheden- alle militaire
vliegtuigen te waarschuwen. Djocjakarta werd opgegeven als eerst haven,
Batavia als tweede haven.
In elk geval heeft het vliegtuig bij het binnenvliegen Batavia (Customs
Airport) niet aangedaan, waardoor het in flagrante overtreding was.
Blijkbaar is over de vlucht gerept in de Maleise middaguitzending van
Singapore op de dag van het ongeluk. Het vliegtuig zelf is neergestort
ongeveer een uur later en moet dus op het tijdstip van de
radio-uitzending ongeveer op de hoogte van Cheribon zijn geweest.
Uit de nota d.d. 28 Augustus 1947 van de Britse Ambassade te 's-Gravenhage zij in dit verband de volgende passage aangehaald:
"When it became known that the pilot
of the aircraft intended to fly direct to Djocja, the authorities at
Singapore warned him that to do so would be contravene Dutch
regulations which lay down that all aircraft proceeding to the interior
of Java must stop at a Customs Airfield (i.e. Batavia or Surabaya)
before flying on to their destination. After the pilot had been warned that he must be responsible for the risk incurred,
the aircraft was cleared for a flight to Djocja or Batavia, and details
of the flight were reported by the Singapore authorities to the Dutch
Air Controal at Batavia".
Zowel de piloot als ook de eigenaar zelf, de Indiër A.
Patnaik, moeten derhalve zeer wel op de hoogte zijn geweest van de
terzake dienende Nederlands-Indische voorschriften.
Hierbij komt nog.
dat de Nederlandse Consul Generaal te Singapore reeds omstreeks 23 juli
voorafgaand aan het ongeluk in een persinterview verklaarde, dat
vliegtuigen met bestemming republiek eerst op een Nederlands vliegveld
moesten landen en dat vliegtuigen, welke een niet-geautoriseerde vlucht
naar de republiek zouden maken, door de Nederlandse strijdkrachten
vernietigd zouden kunnen worden. Dit interview werd in de Straits Times
van 24 Juli gepubliceerd (zie hieronder: bij Slotopmerking).
De verantwoordelijkheid van de eigenaar Patnaik (die reeds
meerdere illegale vluchten op zijn kerfstok had) valt gemakkelijk te
concluderen uit de volgende feiten, welke hier in herinnering mogen
worden gebracht:
Het privé vliegtuig van Patnaik passeerde op 12 juli 1947
Singapore op een tocht rechtstreeks naar Djoca en kwam op 29 van
Djocja weer naar Singapore terug.
Dezelfde dag is het naar een Sumatra vliegveld doorgevlogen,
vermoedelijk Boekit Tinggi. Van Sumatra heeft bedoeld vliegtuig
vervolgens Moh. Hatta naar India gebracht en is later weer naar
Republikeins territoir teruggevlogen. (Het is onbekend of dit naar Java
dan wel Sumatra was).
In de nacht van 21 op 22 Juli bracht hetzelfde vliegtuig Sutan Sjarir
met zijn twee pleegkinderen van Djocja naar Singapore en op 22 Juli
maakte het nogmaals een vlucht naar Republikeins gebied. Dit is
vermoedelijk hetzelfde vliegtuig, dat op 29 juli de fatale laatste reis
naar Djocja maakte.
Na het ongeluk legde de Algemeen Secretaris van de Gouverneur-Generaal,
Sir Ralph Hone, te Singapore de volgende verklaring voor de pers af
(gecorrigeerde tekst):
"It would have been possible for the
Dakota to have applied for Safe Conduct which could probably have been
arranged with the Dutch. It would then have been necessary fot the
plane to await permission to leave at a pre-arranged time and by a
pre-arranged route. This flight was entirely unauthorised, in the sense
that is was not authorised by the International Red Cross under
arrangements recently announced betweeen the Dutch and British
Governments for Safe Conduct of Red Cross supplies to Indonesians. I
therefore hope no records of the incident will give the impression that
the Dutch have exceeded their legal rights by committing a breach of
the agreement just made with the British Government.".
Op grond van het voorgaande is het zonder meer duidelijk dat van een
"breach of agreement" geen sprake kon zijn, aangezien de betreffende
overeenkomst eerst na het ongeluk tot stand kwam.
TERTIO
Uit het bovenstaande volgt, dat het vliegtuig alle regels gesteld voor
"purely civilian operations" heeft overtreden. Volgens verklaring der
Nederlands-Indische piloten, die de achtervolging uitvoerden was het
grijs geschilderd en niet van Rode Kruis kentekenen voorzien.
Bovendien laadde het vliegtuig verdenking op zich door bij de
ontmoeting met de gevechtsvliegtuigen te vluchten en laag te vliegen.
Dit maakte bovendien profielherkenning onmogelijk.
De Militaire Luchtvaart had tijdens de politieactie uitdrukkelijk
opdracht, buitenlandse vliegtuigen niet in de lucht aan te vallen.
Volgens het hierbij in afschrift gevoegde verslag der persconferentie
van de jachtvlieger Lt. Ruesink en de Sergeant-Majoor Erkelens werden
dan ook slechts waarschuwingsschoten gelost toen het vliegtuig
verdachte bewegingen maakte.
Onzerzijds is steeds gesteld, dat het vliegtuig is neergestort
(wellicht door te laag vliegen) en niet neergeschoten. De getuigenissen
van India zijde, dat het vliegtuig en de lichamen der bemanning met
kogels waren doorboord kunnen slechts berusten op verklaringen van
republikeinen en van de Heer Patnaik zelf, die enige maanden geleden
via Batavia een bezoek aan Djocja bracht "teneinde een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het ongeluk plaats vond".
Bij deze gelegenheid is reeds aan de Heer Raghavan, Consul Generaal van
India te Batavia, te verstaan gegeven, dat eventuele
éénzijdige bevindingen van de Heer Patnaik tijdens zijn
onderzoek in loco, voor de Nederlands-Indische regering geen
bewijskracht kunnen hebben. Sedert het ongeluk waren reeds enige
maanden verlopen en tot dusverre heeft de Nederlands-Indische regering
nimmer gelegenheid gehad van haar kant een onderzoek in republikeins
gebied in te stellen.
Het is dan ook geenszins uitgesloten, dat het wrak van het vliegtuig
inmiddels netjes is 'geprepareerd' conform de beweringen van de
Heer Patnaik,
QUARTO
In de nota van de India-regering van 27 Januari j.l. wordt een
beroep gedaan op artikel 5 van de Conventie van Chicago. Het is juist,
dat volgens dit artikel "unscheduled flights" over het grondgebied van
landen aangesloten bij de Conventie kunnen plaatsvinden "without the
necessity of obtaining prior permission". Hoewel het niettemin
gebruikelijk is op zijn minst kennisgeving te doen van de voorgenomen
landing van het vliegtuig, zou de Heer P{atnaik dus formeel in zijn
recht zijn geweest, ware het dat de aangewezen douane luchthaven was
aangedaan, in casu Batavia, hetgeen echter willens en wetens door het
betrokken vliegtuig is nagelaten.
Omtrent het feit, dat Batavia moest worden aangedaan bestond niet de minste twijfel.
De Indiase regering beroept zich voorts op het feit, dat "the local regulations have not been notified to the Government of India".
Het is deze Directie bekend, dat de Consul Generaal van India
(vermoedelijk in opdracht zijner regering) bij de interpretatie van de
Conventie van Chicago uitgaat van de veronderstelling, dat alle
refertes aan "local regulations" in de artikelen dezer Conventie, inhouden dat deze "local regulations" tevoren ter kennis moeten zijn gebracht van de bij de Conventie aangesloten regeringen.
Het wil DIRVO (Directie Verre Oosten) voorkomen, dat deze zienswijze (geheel passend in de
kraam der India-regering, die gaarna over de meest venzelfsprekende
feiten onwetendheid voorwendt) in haar algemeenheid niet juist is en dat, onafhankelijk van een dergelijke voorwaarde b.v. stellig geldt artikel 13 luidende:
"The laws and regulations of a
contracting State as to the admission to or departure from its
territory of passengers, crew or cargo of aircraft, such as regulations
relating to entry, clearance, immigration, pasports, customs, and
quarantaine shall be complied with by or on behalf of such passengers,
crew or cargo upon entrance into or departure from, or while
within the territory of that State".
India en Nederland zijn beiden ICAO-leden. India is dus in elk geval op
de hoogte van de door de Nederlands-Indische regering aan ICAO
medegedeelde aanwijzing van Batatvia tot Customs Airport en had de
India-piloten dus eventueel zelf dienen te instrueren.
De nalatigheid
ligt niet aan onze kant. Het is voorts aan de piloot van het vliegtuig
zich op de hoogte te stellen van de wetgeving in de landen, die hij
bezoekt.
Zelfs tijdens de politieactie zou een vliegtuig, dat zich had gehouden
aan de voor de civiele luchtvaart internationaal vastgestelde
bepalingen, generlei gevaar hebben gelopen. (Ten overvloede zij in dit
verband verwezen naar de artikelen 10,11,12,13,20,29,34 van Chicago).
QUINTO
Volledigheidshalve dient niet onvermeld te blijven dat volgens een
Reuter-bericht van 30 Juli vanuit Djocja bij de begrafenis van "vier bij het ongeluk omgekomen leden der leden der republikeinse luchtmacht"
militaire eer werd bewezen. Minstens één en
waarschijnlijk drie leden der bemanning moeten hebben behoord tot de
republikeinse luchtmacht.
Hierdoor wordt het civiele karakter van het
vliegtuig aangetast.
Terzake zij verwezen naar de hierbijgevoegde brief van de Procureur
Generaal No. 3522/GB van 15 Augustus j.l. bevattende een
persoonsbeschrijving van de omgekomen Indonesische leden der bemanning.
Ook hieruit blijkt, dat de gehele zaak verdacht was en het karakter van
een 'mercy flight' er slechts zeer dunnetjes op ligt.
Aangetekend zij, dat de Heer Patnaik een bekend pro-republikein is die
(met negatie van de Nederlandse souvereiniteit) met de republiek
intrigeert over het openen van een geregelde luchtverbinding met Djocja
van zijn Kalinga-Airlines.
SEXTO
Het wil deze Directie voorkomen, dat wij in deze aangelegenheid sterk genoeg staan om een arbitrale uitspraak niet te vrezen.
De thans ingediende claim van de India-regering bevat kennelijk een element, ofwel van bluf, of van chantage.
Het tijdstip is veelbetekenend, aangezien van Nederlandse zijde thans
aan de India-regering enige concessies gevraagd worden, in verband met
de wijzigingen en aanvullingen op de annex van de
luchtvaartovereenkomst. Hoewel daarvoor geen bewijzen voorhanden zijn,
dringt de gedachte aan een causaal verband zich vanzelf op. Het schijnt
daarom juist zo spoedig mogelijk een principiële beslissing te
nemen t.a.v. arbitrage waardoor aan de India-regering elke pretext voor
chicanes op ander gebied wordt ontnomen.
Met de scheidsrechterlijke
uitspraak zullen nog maanden gemoeid zijn en de lopende
luchtvaartonderhandelingen kunnen daarop niet wachten.
SLOTOPMERKING
Hierboven werd vermeld, dat de Consul Generaal der Nederlanden
te Singapore op een datum voorafgaand aan het ongeluk, aan de pers
heeft verklaard, dat vliegtuigen met bestemming de Republiek eerst op
een Nederlands vliegveld moesten landen en bij niet voldoen aan deze
voorwaarde riskeerden door de Nederlandse strijdkrachten te worden
vernietigd.
Toegegeven moet worden, dat wij in onderhavige zaak sterker zouden
hebben gestaan, indien wij bij het begin van de politieactie gebruik
zouden hebben gemaakt van de bevoegdheid verleend in art.9 van de
Conventie van Chicago, om bepaalde gebieden tot "prohibited area" te
verklaren.
Hierna volgt een citaat van betreffend artikel en een beschouwing
erover het alsnog invoeren van een dergelijke maatregel.
In dit verband is het nauwelijks van belang om diep in te gaan op deze
niet uitgevoerde maatregel. Men kwam dan ook niet verder dan het te
benoemen als een gemiste kans en er werd dan ook de suggestie gedaan om:
"Met het oog op de toestand in
Indonesië zou een soortgelijke procedure stellig aanbeveling
verdienen. Deze Directie (Verre Oosten, DIRVO) heeft dan ook in een
vorig stadium reeds de suggestie gedaan aan de daarvoor in aanmerking
komende regeringen een mededeling te doen toekomen luidende:
a. Dat de Nederlands-Indische
regering aanwijzingen heeft, dat illegale vluchten over
Nederlands-Indisch grondgebied worden gemaakt met schending van de
Nederlands-Indische wettelijke voorschriften en bepalingen inzake
douane-luchtvaartterreinen, registratie, luchtwaardigheid en
bevoegdheid van personeel en van verkeersregels en
veiligheidsvoorschriften;
b. dat, indien en zodra de
omstandigheden daartoe mochten nopen, de Nederlands-Indische regering
tegen vliegtuigen welke illegale vluchten als vorenbedoeld uitvoeren,
alle geëigende maatregelen zal nemen, waaronder militair optreden
kan zijn begrepen;
c. dat de Nederlands-Indische
regering zich niet verantwoordelijk acht voor het leven en goed van
onderdanen van vreemde staten voor zover deze illegale vluchten als
vorenbedoeld uitvoeren of daaraan deelnemen.
Ook de wenselijkheid ener dergelijke mededeling ware, bij gebleken noodzaak, opnieuw te beoordelen.
Batavia, 13 Maart 1948.
Al met al een stuk waar wel enig commentaar op gegeven kan worden. Niet
dat er onwaarheden in staan, integendeel het is een getrouwe weergave
van de gebeurtenissen tot dan toe, maar de zienswijze op het geheel is
wel heel sterk 'gekleurd' door het Nederlandse standpunt.
Ook daar is weer niets onoirbaars aan maar behalve die 'Nederlandse
bril' kan (zeker achteraf!) gezegd worden dat men eigenlijk volkomen
blind was voor de tijdgeest.
Er woei toen al een anti-koloniale wind
door de wereld en de stemming was wereldwijd sowieso anti-Nederlands,
en dan is het letterlijk 'wereldvreemd' om de illusie te hebben iemand
te kunnen overtuigen met formele argumenten, regels of wetten!
En zeker vrijheidsstrijders niet!
En de laatste suggestie van DIRVO riekt toch wel enigszins naar 'eigen straatje schoonvegen...'
Ongeveer in
deze periode begonnen toch wel enige betrokkenen een wat reëlere
kijk op de (politieke) werkelijkheid te krijgen.
Er werd weer concreet gesproken over een vorm van arbitrage, letterlijk
staat er in een (ongedateerd) stuk waarvan mij de status (telegram,
kladje?) niet bekend is:
De Nederlandse Regering en de Regering van India zijn bereid aan een in
onderling overleg samen te stellen scheidsgerecht de navolgende vraag
ten aanzien van dit vliegtuig te onderwerpen:
Is de Nederlands-Indische Regering
verantwoordelijk voor de door onderdanen van India geleden schade
ten gevolge van het verongelukken van het Dakota vliegtuig VT-CLA op 29
juli 1947, op grond, dat het optreden van de Nederlandsch-Indische
militaire luchtstrijdkrachten volkenrechtelijk onrechtmatig zou zijn
geweest.
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe groot is dan het terzake aan belanghebbenden uit te keren bedrag?
De Nederlandse Regering en de
Regering van India zijn het erover eens, dat niet in het geding is het
karakter van de politionele actie op Java, tijdens welke het
bovengemelde voorval heeft plaats gehad.
En, het is al eerder gemeld, was er waarschijnlijk toch wel enig besef
hoe het Nederlandse optreden in de rest van de wereld beoordeeld werd.
In een brief d.d. 18 Maart 1948 van het gezantschap te New Delhi
aan onze Minister van Buitenlandse Zaken wordt nog eens
nadrukkelijk gesteld dat:
"Uw opvatting, dat het ongewenst is
dat de Patnaik-affaire voor het Hof te brengen omdat dan de
rechtmatigheid van de politionele actie in het geding kan komen, wordt
door mij gedeeld.
Uit de redactie van Uw telegram begrijp ik, dat
dit bezwaar alleen gevoeld is voor het Hof en te ontgaan is bij
arbitrage".
En het gezantschap, dat al eerder blijk gegeven had een reële kijk
op de zaak te hebben waarschuwde nogmaals dat onvoorwaardelijk afwijzen
van de diverse claims "alleen kon geschieden, indien werkelijk van Nederlandse zijde geen enkele schuld aanwezig was".(8)
De volgende maand wordt er tussen de Nederlandse betrokkenen nog wat
semantiek gepleegd, worden de argumenten van de Indiase regering
weer tegen het licht gehouden en gewogen t.a.v. het memorandum van
DIRVO. Nog steeds was het resultaat eigenlijk steevast de feitelijke
onaantastbaarheid van de Nederlandse positie. En hoewel de toon
en inhoud van de brief van Legercommandant Jhr.Mr.P.Th. Six ook nog
steeds die sfeer ademt, moet gezegd worden dat daarin voor het eerst
het voorval niet omschreven wordt als "ongeval" of "neergestort" maar
luid en duidelijk als "het neerschieten" . Wat dan weer wèl (in zijn
optiek) afdoende gemotiveerd wordt door het niet aan voorschriften en
regels voldoen door de Dakota-piloot.(10)
Tijdens dit
proces werd er ongetwijfeld achter de schermen koortsachtig
overleg gevoerd om uit de impasse te geraken, wat ook wel
geïllustreerd wordt door de handelingen van het Britse
Parlement.
Daar vroeg het socialistische parlementslid D.W.T.
Bruce op 9 maart 1949 aan de
Secretary of State Bevin:
"...whether the claim for
compensation he submitted to the Dutch
Government on 28th August, 1947, in respect of the loss of British
lives in the shooting down incident which occurred on 29th July, 1947, has
yet been satisfied; and what steps he proposes to take to ensure that
adequate compensation is paid forthwith to the relatives of those
British citizen who lost their lives in this attack by Dutch aircraft
on a civilian plane.
Mr. BEVIN:
This claim to which my hon. and
gallant Friend refers is still under negotiation between His Majesty's
Government ant the Netherlands Government. I have every hope that a
satisfactory settlement will be reached in the near future.
En hoewel de Britse zaakgelastigde, die op 27 april 1948 een
bezoek bracht aan de heer Lovink van Buitenlandse Zaken in het kader
van deze besprekingen, had toegezegd "dat
de Britse Ambassade deze kwestie zo spoedig mogelijk zal opnemen met
de Foreign Office, in verband met de vraag of de Britse Regering
bereid zou zijn om de Regeringen van India en Australië te
beïnvloeden, om de door ons voorgestelde ondershandse schikking,
ingang te doen vinden. De Britse zaakgelastigde was hier niet
optimistich over. Hij zou echter zo spoedig mogelijk bericht hierover
zenden". (11) zou het toch nog geruime tijd duren voor de 'massage' van India en Australië effectief bleek.
Het Nederlandse voorstel kwam er samengevat hier op neer dat de
Nederlandse regering weliswaar bereid was om de zaak aan een
arbitrage-commisie voor te leggen, maar dat ze de voorkeur gaf
aan een ondershandse regeling waarbij een vervangende
Dakota geleverd zou worden samen met schadevergoeding aan de
nabestaanden op basis van het Verdrag van Warsaw 1929.
Weliswaar werd in juni 1948 al wel vernomen dat het Foreign Office
het Nederlandse schikkingsvoorstel zeer redelijk vond en bij de
regeringen van India en Australië zou aandringen daarop in te
gaan, maar het duurde nog tot mei 1949 voor de zaak definitief
geregeld
was.
Op 16 mei 1949 schreef Philip Nichols van de Britse Embassade aan mr. D.U. Stikker de volgende brief:
SIR,
I have the honour, on
instructions of His Majesty's Principal Secretary of State for Foreign
Affairs, to refer to the Verbal Memorandum handed tot the Counsellor of
this Embassy by Dr. Hagenaar of the Royal Netherlands Ministry of
Foreign Affairs in May 1948 concerning the Dakota aircraft which was
shot down in Java in July 1947. I have now to inform Your Excellency
that His Majesty's Government in the United Kingdom accept the Royal
Netherlands Government's offer contained in paragraph 4 of this
memorandum, and that the Governments of Australia and India, who have
also agreed to accept this offer, have authorised His Majesty's
Government to negotiate the final settlement with the Royal Netherlands
Government on their behalf.
2. His Majesty's Government
presume that the Royal Netherlands Government will replace the lost
Dakota aircraft by a Dakota of comparable quality (for example, with
zero hour engines and zero hour airframe, fully convertible for
passenger use and confirming with the standards required for the award
of an Indian certificate of airworthiness),
3. A full statement
setting out the total claim in respect of the passengers and
goods in the aircraft on the basis of the scales provided for by the
Warsaw convention of the 12th October, 1929, will be forwarded shortly
to the Royal Netherlands Governemnt.
I avail myself of this opportunity to renew to Your Excellency the assurances of my highest consideration.
w.g. Philip Nichols.
Het zou nog tot november duren voordat de toegezegde gespecificeerde claim binnen zou komen.
Voor de vier slachtoffers uit de drie betreffende landen, R.C.
Hazlehurst en mevr. B.F. de R. Constantine (Brits), A.N. Constantine
(Austr.) en B. Ram (India) per persoon 2940 Pond, voor de medische
artikelen 362 Pond en de bovenomschreven Dakota.(12)
Op 28 december schrijft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan zijn
collega van Buitenlandse Zaken dat hij akkoord met de voorgestelde
regeling en dat de ambtgenoot van Financiën zich meer met de KLM
in verbinding moet stellen om een toestel over te nemen. (13)
Wèl wordt er nogal aangehikt tegen de kosten van een complete
revisie en brandwerende maatregelen (resp. ƒ 50000,- en ƒ
5000,-) terwijl de kosten van het overvliegen ƒ 12000,- zouden
bedragen. Al met al zou de regeling ƒ 320000.- gaan kosten.
Er werd gesuggereerd om te proberen de regeling zó te
interpreteren dat het vervangende toestel niet volledig gereviseerd zou
moeten worden maar kwalitatief vergelijkbaar zou zijn met de VT-CLA op
het moment van neerstorten.(14)
Op 24 april bevestigt de KLM dat zij een toestel beschikbaar wil
stellen, de PH-TAZ tegen de prijs van ƒ 108000,- terwijl het op
0-uren brengen ƒ 50000,- zou gaan kosten.(15)
Dat het toestel niet op 0-uren gebracht zou worden was door de diverse
(Nederlandse) partijen wel te billijken maar de Rijksluchtvaartdienst
steigerde wat bij het niet aanbrengen van de brandpreventiemaatregelen.
Op grond daarvan zou er alleen een tijdelijk Bewijs van
Luchtwaardigheid voor de overtocht uitgereikt kunnen worden.
De hele
operatie was toch bedoeld om de verhouding met India weer enigszins te
verbeteren, een tijdelijk BvL zou allicht de indruk kunnen wekken dat
er onzerzijds beknibbeld werd op de regeling. En dat was natuurlijk ook
zo!(16)
Vlak daarop wordt inderdaad besloten het bedoelde brandpreventieprogramma ad. ƒ 5000,- uit te voeren.(17)
Op 21 juli wordt een brief naar de Indiase Ambassadeur te Den Haag
gestuurd waarin formeel de betaling van de schadevergoedingen wordt
aangekondigd en tevens een gekwalificeerde vertegenwoordiger wordt
uitgenodigd om de Dakota op Schiphol te keuren vóór de ferry-vlucht naar India. Daarna zal
de Dakota door KLM-personeel overgevlogen worden naar India.(18)
Op 21 oktober om ca. 11.00 uur nam de Hoofdinspecteur van de
Rijksluchtvaartdienst C.A.F. Falkenhagen de PH-TAZ formeel over namens
het Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen. Hierna bleef
het toestel nog enige dagen gestald op Schiphol.
Daarna werd het overgevlogen naar New Delhi en daar op 8 november door
A. Mansvelt namens de Nederlandse Ambassade overgenomen en
tegelijkertijd overgedragen aan de regering van India.
Epiloog
Op 28 februari ontving het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag een brief van de Ambassadeur te New Delhi Winkelman:
Hierbij heb ik de eer Uwer
Excellentie te berichten dat Mr. A. Mansvelt van een der Secretarissen
van de Indonesische Ambassade alhier vernam dat het Dakota vliegtuig,
hetwelk Nederland enige tijd geleden aan India heeft aangeboden ter
vervanging van het op Java neergeschoten vliegtuig, thans aan
Indonesië zal worden overgedragen.
Indonesische piloten, die het vliegtuig via Rangoon naar Java zullen brengen, zijn hier opgeleid te Alahabad.
Het schijnt in de bedoeling te liggen dat deze Dakota als persoonlijk vliegtuig van Soekarno zal worden gebruikt.
De Ambassadeur,
w.g. Winkelman.
Hiermee
eindigt het verhaal over het neerschieten van/ongeval met de VT-CLA en
de nasleep daarvan. Trouwens, in een 'zuster-artikel' op deze site
beschrijf ik chronologisch de illegale (smokkel)vluchten naar de
republiek.
De verdere belevenissen van de PH-TAZ toestel zijn alleszins onduidelijk. Zie ook het registerdeel van deze site.
Mogelijk dat er ooit eens in een Indonesisch archief informatie wordt gevonden!
Marco Pennings heeft de
ongevalsplaats en het monument daar tweemaal bezocht. Hij stuurde
onderstaande twee Google plaatjes waarop is aangegeven de
ongevalsplaats en, op de tweede, de relatieve positie daarvan t.o.v.
vliegveld Magoewo.


Met dank voor de bijdragen van Harm Hazewinkel, Marco Pennings en Gerben Tornij.
Bronvermelding:
(1) Verslag van persbijeenkomst 30.7.1947. Samensteller onbekend.
Het relaas is trouwens identiek aan het Communiqué der Militaire Luchtvaart dat op 30 juli werd uitgegeven.
(2) Opgave van PG bij Hooggerechtshof van Ned.-Indie mr. H.W. Felderhof, d.d. 15.8.1947
(3) Opgave van Onderhoofd de Algemene Recherche te Batavia, S. van Hulst, d.d. 20.9.1947
(4) Opgave van Onderhoofd de Algemene Recherche te Batavia, S. van Hulst, d.d. 20.8.1947
(5) "The first seventy years", Jennifer Gradidge. Tonbridge 2006.
(6) Overzicht van de Patnaikvluchten Onderhoofd de Algemene Recherche te Batavia, M.W. van 't Hof, d.d. 29.1.1948
(7) Brief d.d. 13.3.1948 van Ambassadeur Boetzelaer aan Buitenlandse Zaken.
(8) Memorandum d.d. 18.3.1948 opgesteld door Lamping te New Delhi.
(9) Memorandum d.d. 13.3.1948 samengestelde door Directie Verre Oosten (DIRVO)
(10)Brief d.d. 15.4.1948 Jhr. Mr. P.Th. Six aan Chef Divisie.
(11)Telefoonnotitie d.d. 28.4.1948 van Nieuwenhuysen (BuZa) aan Rijksluchtvaartdienst.
(12)Brief d.d. 7.11.1949 Britse Ambassade aan His Excellency W. Drees.
(13)Brief d.d. 28.12.1949 van Min. V&W aan Min. BuZa.
(14)Brief d.d. 21.3.1950 van Min. van Financiën aan Min. BuZa.
(15)Brief d.d. 24.4.1950 van KLM aan Min. van V&W.
(16)Brief d.d. 11.5.1950 Rijksluchtvaartdienst aan Min. van Financiën.
(17)Brief d.d. 1.6.1950 Min. Voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen aam Min. van V&W.
(18)Brief d.d. 21.7.1970 Min. van BuZa aan Ambassadeur van India.
Het merendeel van deze documenten kan ingezien worden in het Nationaal Archief, 5.016.5240/3835.